Popmuziek en identiteit, ze lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Al meer dan een halve eeuw fungeren favoriete artiesten als effectief wapen tegen ouders, de maatschappij en rivaliserende jeugdgroeperingen. In de jaren negentig waren patches op rugzakken en vale zwarte T-shirts met angstaanjagende opdruk nog alom vertegenwoordigd in het hangjeugdig straatbeeld.  In de eenentwintigste eeuw lijkt de vriendschappelijke strijdbijl begraven. Is identiteitsbepaling door middel van muziek verdwenen?

Auteur: Gray Pathos

Het antwoord is kort en bondig: nee. Er is echter veel veranderd wat betreft de verspreiding van muziek. Wie nog een cd’tje koopt, behoort tot een kleine muzikale elite. Het analoge culturele aspect van de popmuziek lijkt te vervagen. Spotify maakt het mogelijk om voor vijf euro per maand overal en nergens je favoriete muziek te luisteren. Je kunt muziek delen met je vrienden en laten zien wat voor nummers je luistert. Achter je pc maakt het niet uit of je een Iron Maiden-shirt draagt, of een treetje hoger zit met de pumps van de Spice Girls. Misschien nog belangrijker voor digitale bakvissen is dat je kunt aangeven welke muziek je níét openbaar wil maken voor je vriendjes en vriendinnetjes (en dat zijn er meestal tussen de vijfhonderd en duizend).

In de jaren zestig was je voor de Beatles of The Rolling Stones. De daaropvolgende decennia bouwden zich subculturen om de verschillende genres heen. Het resultaat hiervan was een enorme keuzemogelijkheid aan groepen waar men bij kon behoren. Punkers, skaters, gabbers, gothics, ravers, noem maar op. Allemaal subculturen gestoeld op muzieksmaak, met ieder haar eigen kenmerken. Deze bonte bedoening is de laatste jaren ver te zoeken. Hoop kregen we in het eerste decennium van de nieuwe eeuw; de emo’s teisterden, met hun doodgeplamuurde gezichtjes en blik op onweer met fikse regenbui, de steegjes en pleintjes. Maar ook deze groep is inmiddels op haar retour.

Wat blijft er over? Het muzikale stijlfenomeen van de eenentwintigste eeuw: de hipster. Er ontstaan discussies over deze ondefinieerbare groep met minstens zo ondefinieerbare muziekstijl. In de altijd bruisende Randstad worden duistere hipsterconclaven gehouden waarbij men met elkaar communiceert middels tot in de puntjes uitgewerkte choreografieën. Het flamboyante tuig geeft zijn feesten namen doordrenkt van ironie: Kill All Hipsters. Maar wat heb je nu gemeen met de rest van de zaal? Het antwoord is zonneklaar: de façade. Men lacht elkaar uit zodat anderen het niet meer hoeven te doen. Helaas, de lol is er van af, zelfspot wint het van rivaliteit en eenheidsworst van diversiteit.

Met weemoed denk ik terug aan de tijd waarin oproer nog vet cool, de bom, stoer en gruwelijk was. Nu kijk ik op de zondagmiddag naar een microfoon die digitale televisie via een flatscreen in mijn gezicht duwt. Zonder tegen te stribbelen, zing ik mee met de tekst van Son Of A Preacher Man, twee minuten daarvoor nog gezongen door Meike van der Veer, die begeleid wordt door Jeroen van der Boom, die beroemd is geworden door een cover van het nummer Silencio van de Spanjaard David Bisbal. Een traan biggelt over mijn wangen. Ik weet niet waarom, maar stiekem zou ik willen dat er een beetje mascara druppelde op een vaal zwart metalshirt. Niet wetend in wat voor stemming ik verkeer, lach ik om mezelf.