Von Wallenstein had het deze week al over een voetballer die het niet redde in het profvoetbal. In navolging van mijn collega wil ik deze week jeugdig muziektalent onder de aandacht brengen. Een decennium geleden begon een fenomeen dat onze jeugd tot op heden in de ban houdt: live talentenshows. Gelijktijdig kwamen realityshows met no-lifes die ineens bere-interessant werden. Scheldende tokkies avant la lettre die gevangen werden gezet in een villa van een omvang die ze nooit meer mee zouden maken, of toch wel… nadat de dollartekens in hun ogen na afloop werden gecasht. Na vele edities van shows met nieuwe sterren die net zo snel weer vielen als dat ze rezen, zijn nu ook de kinderen aan de beurt.

Auteur: Gray Pathos

Een vrij nieuwe rage is het passief-interactieve ‘beleven’ van de talentenshows, door middel van gadgets die je in de supermarkt bij een zak chips of bij twee flessen Andrelon van Kruidvat krijgt. Een marketingtruc die ontzettend goed werkt, goed voor mogelijke iTunesverkoop of andere producten die geschapen worden om de nieuwe heiligen uit de populaire cultuur. Het nieuwste product is The Voices, kaartjes van The Voice Kids met de kindsterretjes die je kunt verzamelen. Naar klinkt dat he? Kindsterretje? Kennen jullie MJ nog? Daarover later meer.

Toen ik jong was, en ik geef toe, dat lijkt steeds langer geleden, spaarde ik ook dat soort dingen. Ze heetten flippo’s. Het leuke van de flippo’s was niet dat er Looney Tunes-figuurtjes op stonden, niet dat er een verhaaltje achter schuil ging over ontdekkingsreizigers. Nee, het leuke was dat je ze kon sparen, dat je met elkaar kon ruilen als je ze dubbel had, dat je spelgedrag je even losweekte van je schoolbankje. Het effect was hetzelfde geweest als iets anders de ‘rage’ was geweest, als het maar in vele verschijningsvormen verkrijgbaar was. Een kartonnetje in honderden kleuren had ook zomaar ‘te gek gaaf’ kunnen zijn.

Spel, dat is wat kinderen, kinderen maakt. Zonder spel is het kind een jongvolwassene. Bij Pauw & Witteman zat om elf uur ’s avonds een elfjarig jochie met zijn pianodocente. Carter Muller was uitgenodigd in het kader van de documentaire Nieuwe Meesters van Jaap van Eyck, over vier jonge kinderen die uitzonderlijk goed kunnen musiceren. De hoogbegaafde Carter begint zijn antwoord op de vraag of hij niet misschien ook arts of een ander beroep zou kunnen kiezen later, met ”Het lijkt me niet waarschijnlijk…”, maar daarna struikelt hij over alle resterende zinsdelen. Als ik in de studio had gezeten, dan had ik geroepen: “Meneer Muller is nog een kind! Weten jullie wat dat woord inhoudt, kind?” Het gesprek met de pianodocente gaat over het ‘talent’ dat verloren zou kunnen gaan als je er niet vroeg genoeg bij bent. Er wordt over Carter gesproken alsof hij een dressuurpaard is.

Het beste paard van de stal was MJ, het icoon Michael Jackson. Zijn initialen doen nog lange tijd aan hem herinneren. Hij is tot ster gerezen, en blijven staan als een van de grootste aan de hemel van de showbusiness. Maar wat heeft het hem opgeleverd? Is hij ooit gelukkig geweest? Wacko Jacko was vervreemd van het leven en de beslommeringen die het met zich meebrengt omdat hij in een voor hem uitgestippelde wereld leefde. Een onechte wereld die meer beloofde dan waarmaakte, die meer miljoenen opleverde dan geluksmomenten, meer roem dan tevredenheid. Het hemellichaam dat zo graag kind wilde zijn, is dood, omdat het nooit kind heeft mogen zijn.

Kind zijn heeft niet alleen te maken met een leeftijdscategorie, het is ook een sociale constructie. Als je niet als kind wordt behandeld, dan voel je je ook geen kind. Mijn ouders vonden vroeger dat ik muzikaal genoeg was om een instrument te leren bespelen. Ik ging ‘op’ blokfluitles, naast mijn al snel strandende turn- en voetbalcarrière. De muziek bleek voor mij een prachtige uitlaatklep en al snel mocht ik een blaasinstrument kiezen. Mijn voorkeur ging uit naar de trompet. De jaren daarna heb ik meerdere malen overwogen ermee te stoppen: ik vond ook andere dingen leuk, op weg naar de repetitie van het schoolorkest, riep een medescholier mij na: ”Kijk, die heeft zijn eigen kist meegenomen!” Toch besloot ik door te gaan, ook toen ik ging studeren. Ik heb er nooit spijt van gehad, omdat ik door mijn ouders vrij ben gelaten. Ik mocht zelf kiezen of ik ermee door wilde.

Twee klassen sloeg Carter Muller over, als elfjarige zit hij in de tweede klas van het gymnasium. Hij is een ‘uitzonderlijk geval’, maar de vraag is, wie is dat tegenwoordig niet? Iedereen wordt een prachtige toekomst beloofd. Jij kunt dat worden op het kaartje van Kruidvat, jij hebt een stem, jij hebt dé dansmoves, jij hebt gouden vingers. Deze uitspraken worden allen gegenereerd door geldmachines, aangezwengeld door ‘grote mensen’. Groot, omdat jij nog zo klein bent. Pianospel is geen potje voetbal met je vriendjes en het publiek komt niet bij jou thuis spelen. Als we denken dat het goed is voor kinderen dat ze voor hun puberteit al meer te maken hebben met managende veertigers dan met hun eigen klasgenootjes, dan mogen we ons toch eens goed achter de oren krabben, hoe erg die oren ook verwend worden met wonderschone pianosonates of popliedjes in gebrekkig Engels.

In mijn kindertijd keek ik naar de Teenage Mutant Ninja Turtles, “heroes in a half shell, turtle power!” In mijn dromen was ik zelf een turtle, ik at smerige pizza, was oerlelijk, groen, leefde in het riool en vocht tegen de grootste knurften van een stad die ik niet kende. Maar het was een wereld die alleen voor mij was, mijn vader en moeder wilden geen Ninja Turtles zijn. Nu ik al die supertalentjes zie, ben ik zo blij dat ik kind mocht zijn vroeger, dat ik “wil ik niet” zei in plaats van “het lijkt me niet waarschijnlijk”, en dat ik voetbalde met de rest op het grasveld naast de school. Een keer per week had ik trompetles. Ik was een talent, maar er was meer in mijn leven dan muziek maken alleen. Ik hoefde niet ‘meer emotie’ in symfonieën van Bach en Mozart te leggen, ik wist nog niet eens wat emotie was. Een superster, die was ik wel, in mijn dromen. Leonardo, niet Da Vinci, maar die getekende schildpad!