Voorafgaand aan deze column wil ik mijn oprechte excuses aanbieden aan Ricardo. Hij had waarschijnlijk verwacht dat dit stukje over Pinkpop zou gaan. Helaas, ik schrijf niet graag over festivaledities waar ik zelf niet geweest ben, behalve als ik weet dat de helft van het publiek uit omhoog gevallen bobo’s bestaat. Nee, 150 kilometer verderop staat een veel onbelangrijker persoon met hetzelfde doel als Nu of Nooit-winnaar Christopher Green: zorgen dat mensen genieten van goede muziek, ondanks je prille zenuwen die je nog moet leren kennen.

Auteur: Paul Aerts

Als vrijdagmiddag Handsome Poets, een band die vooral het eerste woord van haar naam eer aandoet, bijna klaar is, maakt een op het oog onbetekenende jongeman zich op voor een spannende avond. Vandaag gaat hij met de bus, omdat hij straks toch te gaar is om nog een stap te kunnen verzetten en lekker kan meeliften met zijn partners in crime. Hij arriveert echter niet meteen op de plaats delict, want eerst moet hij nog wat zaken regelen voor school.

Tijdens de zoete melancholische klanken van Andy Burrows’ Hometown legt onze antiheld de laatste hand aan zijn essay. Goed of niet, hij moet er een punt achter zetten, er staat een drukke avond voor de deur. De ex-drummer van Razorlight, zijn guilty pleasure van een paar jaar geleden, slaat zijn laatste roffel met zijn stembanden terwijl een twijfelachtige frontman, bijna ondergeschikt aan zijn muzikale vijftal, begint met zijn soundcheck. Het was passen en meten in de kleine kroeg waar de band optreedt. Het publiek zal langs de band af naar de achterin gelegen toiletten moeten lopen.

“1,2,3, apple three, apple tree, tree, tree. Too much echo, Andrew. Who’s the king of Weasel…?” grapt hij tegen de Ierse kroegbaas en gelegenheidsgeluidsman. Spanning moet je weglachen, dat heeft hij van Goran Ivanisevic geleerd tijdens de Wimbledon-finale van 2001. Zijn vrienden sturen hem in de tussentijd foto’s van Paramore. Wat spelen die strak, wat rocken ze hard, en wat een lekker wijf! Laat je niet van de wijs brengen, denkt hij. Het is vanavond ook jouw avond, je tweede optreden van dit jaar. Wat hebben jullie hier hard voor gerepeteerd, nu maar hopen dat er wat publiek komt…

Geen tijd om in gedachten te verzinken, nog even naar school om de onaffe essays in te leveren. Op dat moment maken Josh Homme en zijn Queens of the Stone Age ongegeneerd arrogant heuvelachtig Landgraaf met de grond gelijk. Waarom waren zij geen headliner in plaats van het oersaaie Kings of Leon op zaterdag? Omdat koning hoger is dan vrouw in het blufpoker van de zaterdagafsluiter…?

Ik schrik op van mijn essay, de rest van de band zit al in het Mexicaans restaurant.”Voor jou ook de Tapas Puebla, Paul? Dan doen we samen, en bestellen we vast.” Gespannen antwoord ik bevestigend, ik kom eraan, ik kom eraan. Vanaf dat moment gaat het snel, maar ik ben er klaar voor. Als de The Killers hun toegift spelen, tikken wij af met ons inspeelnummer:

Give it to me baby, u-huh u-huh

 give it to me baby, u-huh, u-huh,

 give it to me baby, u-huh, u-huh,

 and all the girls say, I’m pretty fly…

 

              For a white guy…

(Speelden die ook op Pinkpop?)