Een radiostilte van mijn kant op Incognitief. Met een reden, 9 juni jongstleden is mijn vader overleden na een week vechten op de intensive care. Vrij plotseling, geen laatste woorden, geen lieve knuffels, geen lijst met namen die ik vast kon gaan bellen, maar vast aan duizend slangen op de ic, aan de beademing, met een ammoniakgehalte zo hoog dat hij nauwelijks pijnstillers nodig had om geen pijn te voelen.

Auteur: Sophie Dassen

Na zes dagen het verlossende woord: ‘We kunnen níets meer doen, meneer is er slechter aan toe dan we dachten. Dit is het.’ Ik kan wel dit zeggen: doodgaan gaat niet zoals in Grey’s Anatomy, doodgaan is niet mooi, hoopgevend of ‘hemels’ maar gaat gepaard met ronkende snurkgeluiden, ademhappen en een geelverkleurend gezicht.

Toch wordt dit stuk verder geen beschrijving van iemands laatste dagen maar een ode aan mijn vader, Wil Dassen, ook wel bekend als de grootste fan van Incognitief. Mijn vader was gek op onze blog, en zoals het een ongenuanceerd trotse vader betaamt, met name op mijn stukken. Iedere week nadat mijn stuk online was gekomen werd ik gebeld: ‘Dag schat, fantastisch artikel weer, doei.’ Dat was kort de strekking van die gesprekjes. Of hij vroeg welk boek dat nu precies was, welke schrijver, en of hij iets van me mocht lenen. Natuurlijk pap. Jij altijd. Nog steeds had hij boeken van mij thuis liggen, met een boekenlegger in het midden, niet meer aan toegekomen.

Mijn ouders hebben een belachelijk grote boekencollectie. Mijn vader was niet eens de allergrootste lezer maar las vooral graag op vakantie, met zijn analytische blik: ”Ik heb deze vakantie al 948 pagina’s gelezen, ik moet er nog 356 om alle boeken uit te krijgen!”  Typisch mijn vader met zijn motto: meten is weten. Of het nu ging om het aantal bladzijdes dat hij had gelezen, hoeveel geld zijn recent aangeschafte zonnepanelen al hadden opgeleverd, hoeveel vissen van welke soort hij had of hoe zijn beleggingsfondsen ervoor stonden. Mijn vader hield van lijstjes maken en alles precies bijhouden, en zo ook wat ik allemaal deed en schreef.

Wat ik van mijn vader (in mijn oude woonplaats ook wel ‘ons pap’ genoemd) mee heb gekregen is liefde voor cultuur en boeken. Zo hield mijn vader erg van Reve, hij was dol op schrijvers die op het randje waren, die mensen beledigden of voor schut konden zetten, maar dan wel op een ‘intelligente’ manier.  Waar mijn moeder tijdens onze jeugd alle vloeken probeerde te sussen met het bekende ‘’Néé, CHIPS!’’, trok mijn vader zich daar minder van aan. Shag rollend (toen nog wel) en wijn drinkend ging hij vanaf de bank ten strijde tegen alles dat hij politiek correct vond (dat was erg veel). Maar hij was gek op Reve, omdat die niet politiek correct was en volgens hem perfect de frustraties van een generatie kon neerzetten. Mijn stuk over Frits van Egters was zijn grote Incognitief-favoriet waar hij menig collega en kennis mee om de oren heeft geslagen.

Mijn vader was gek op taal en altijd gespitst op talige mankementen en volgens hem ‘schandalige’ spelfouten en grammaticale dingetjes. Dat ik, als puber uit de jaren 00, toch behoorlijk vaak Engelse woorden en uitdrukkingen gebruikte, vond hij niet leuk. En ik vond het uiteraard irritant dat mijn vader daar commentaar op had. ”Já pap. Doei.” Zei ik dan. Of als we commentaar hadden op een lelijk kastje dat hij had gebruikt om zijn aquarium op te zetten: ”Nou, in míjn tijd, was dat kastje anders héél erg hip!” In de jaren zeventig dus.

scannen0002

Ik weet dat ik over dertig jaar precies hetzelfde ben. Dat ik dan mijn kinderen en hun vrienden en vriendinnen net zo goed bestook met vragen en altijd alles beter weet.

Ik merk het al aan mezelf als ik ongeduldig over de snelweg rijd, me kapot ergerend aan een vrachtwagen die een andere wil inhalen. Of als ik me stoor aan Linda de Mol op tv, of als ik een spelfout spot in de krant of op een website. Of als ik iets zie over een nieuwe schrijver of boek. Het liefst zou ik dan meteen mijn vader bellen: ‘Hey pap, wat ik nú weer heb gezien! Hij was het met me eens geweest, over die vrachtwagen, de spelfout en al helemaal over Linda de Mol.

Maar het is niet meer. Zijn warme ‘Dag schat, leuk dat je belt!’ begroeting. Zijn altijd iets te ruwe wangen met wondjes van het scheren (was hij te ongeduldig voor), zijn oude vest dat hij al dertig jaar droeg, zijn gezicht zonder duidelijke wenkbrauwen maar met eeuwige frons. Zijn hikkende lach als hij zelf een grap maakte of als hij ons heel grappig vond. Zijn obsessies en plannen. Zijn altijd kritische blik op alles, behalve op zijn kinderen. Zijn aanwezigheid die overal in huis bleek, door Eredivisie live op tv, zijn ronkende laptop, zijn tv-gids met kringen van rode wijn, de walnootschalen die hij overal achterliet in de kamer, de lege koppen koffie. Het is akelig netjes in huis.

Als ik het huis van mijn ouders binnenstap, staart mijn vader me aan vanaf een foto, eerder omringd door een honderdtal rouwkaarten, nu in zijn eentje. Met een lichte glimlach op zijn gezicht, bril op de neus en dat vest dat hij al dertig jaar had. ‘Dag pap’, denk ik dan. ‘Ben ik weer, leuk je te zien.’

Ik heb zoveel aan je te danken gehad, had nog zoveel van je kunnen leren, zoveel willen zeggen. Ik hoop dat je dit toch nog leest, daarboven ergens voor zover ik daarin kan geloven door jouw no nonsense opvoeding. Met een versgerolde shag en een glas wijn erbij. Zoveel je maar wil.

Het is je gegund, rust zacht pap.

Credo

Niets te verwachten, niets te hopen:
er rest mij niets dan duisternis en Dood. 

Ik zie het, maar ik wankel niet: wie Gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn Bloed.

Door Gerard Reve.