Al rommelend in een bak vol oude troep kwam ik laatst een boekje tegen. Het deelde zijn bewaarplaats met kerstkaarten uit 2001 en een Tour de France-sleutelhanger die ik in 2004 vanuit de karavaan naar mijn hoofd geslingerd kreeg. Ik sloeg het open en las gefascineerd de eerste zinnen, om vervolgens hysterisch hikkend de rest van het schrijfsel door te bladeren. Dames en heren, vandaag deel ik het ultieme non-fictie werk met jullie: mijn jeugddagboek. Over jongens, jongens, jongens, zoenen achter de kerk en jongens.

Auteur: Judith Bosch

Voor je begint te mopperen ‘ik bevind mij toch op een opinieblog?’: officieel wel ja. Mocht je keihard je mening willen vormen over het herziene Chinese éénkindbeleid of over de dramatische situatie in de Filipijnen, dan pak je de Volkskrant van afgelopen zaterdag er maar even bij. Vandaag houden we het luchtig. Of ja, luchtig: aan mijn dagboek vertrouwde ik in de jaren ’98 tot ’05 (11 – 18 jaar) mijn diepste zieleroerselen toe. Van een kwartier langer in bed blijven liggen tot een onbeantwoorde liefde, en van metrisch totaal onverantwoorde gedichten tot ingenieuze telsystemen om de leukheid van een jongen te bepalen.

Vanmorgen om half acht ging mijn wekker, en ik bleef tot kwart voor acht in bed (ooo…)

Waar begint zo’n dagboek mee? In dit geval met informatie over de gulle geefster. Ik kreeg het ding op 6 juli 1998 van Stefanie, een Zwitsers meisje dat via stichting Europa Kinderhulp die zomer zes weken lang bij ons verbleef. ‘Haar moeder drinkt, en ze is nog nooit op vakantie geweest’ noteerde ik in keurig handschrift. Ik kan me herinneren dat ik niet precies begreep waarom je niet op vakantie kon met een drinkende moeder, maar ach, we vonden het allang gezellig zo.

Je sprekende ogen, je lieve lach
Ik kom je graag weer tegen, iedere dag
Als ik je zie springt mijn hart snel op en neer
Van boven naar beneden, iedere keer

Twee bladzijdes verder is het 1999 en drie bladzijdes verder 2000. De eerste twee jaren was ik dus niet zo’n fervent schrijfster, maar dat veranderde in het jaar van de eeuwwisseling. De aanleiding? Een diepgaande verliefdheid op een jongen die nog steeds niet van mijn bestaan af weet. Sneu? Allicht. Op school dook ik de garderobe in als ik hem zag, en ’s avonds brulde ik ‘My love’ van Westlife tegen zijn uitgeprinte foto.

Ik heb trouwens nog fl 8,97 beltegoed!

Dit hield ik maar liefst anderhalf jaar vol, tot ik begin 2002 inzag dat verliefd zijn op iemand die jou wél kent ook best leuk kon zijn. Hup, door naar de volgende. Mijn vriendinnen en ik hadden een puntensysteem ontwikkeld waarmee je de leukheid van een jongen kon meten. De criteria waren als volgt: hij moest knap en lief zijn, goed kunnen zoenen, humor hebben, intelligent zijn, niet te ijdel en klef zijn en oh ja, roken was ook een minpunt. Verder kan ik ook nog de woorden ‘geen mietje’ ontcijferen. Wat we daar precies mee bedoelden weet ik niet meer, maar vast iets in de trant ‘moet voor mij opkomen als ik door een horde Hells Angels word gelyncht’. Toen ik sterk twijfelde tussen twee jongens bood het systeem uitkomst. Een 9,5 voor M. tegenover een 8,75 voor S.: geen twijfel over mogelijk.

Toen zei J.: “Alles is mooi met jou erbij.” Hij had vast teveel bier op. ( 5 april 2003, 15 jaar)

Net toen ik dacht dat het niet stommer kon, valt er een briefje uit mijn dagboek. Op een witte memo staan een paar woorden gekrabbeld. Ik herken het handschrift van mijn broertje. Kennelijk had ik hem om een beschrijving van zijn ideale vrouw gevraagd, zodat ik hem kon helpen zoeken. Op het briefje staat:

Blond haar
Blauwe of groene ogen
Aardig
PS Geen teef

PS Geen teef? En we waren amper zestien… pff.