Een paar maanden geleden liep ik op een maandagmiddag door het gebouw van de AEX-beurs. Tegenover mijn gastvrouw verbaasde ik me over de rust op de beursvloer. Ze knikte, erkende de dominantie van stilte en rust, waar ooit chaos en hectiek heersten. Ik zag geen schreeuwende mannen in pakken met gekleurde papiertjes in handen, maar vooral veel computerschermen. Er zaten mannen in t-shirts en spijkerbroeken met koptelefoons op hun hoofd onderuitgezakt naar schier eindeloze rijen cijfers te kijken. Sommigen klikten wat op hun muis, anderen maakten een praatje.

Auteur: Mark Lievisse Adriaanse

Het deed me denken aan het kantoor van FirstPoint. Dat is het bedrijfje van Mark Baum (gespeeld door Steve Carrell) in de film The Big Short (2015). Ergens weggestopt in een enorm gebouw van de Amerikaanse grootbank JP Morgan zitten Baum en zijn drie kompanen in casual kleren naar schermen te kijken. Ze verdienen er honderden miljoenen dollars mee. Ze weten namelijk dat de huizenmarkt niet deugt, dat er een bubbel is, investeren, gokken tegen de markt, en winnen.

Eerder dit jaar had ik me al verbaasd over de rust op Wall Street, toen ik er op een koude, zonnige koude dinsdagmiddag wandelde. Ik had beter moeten weten. In 2009, toen de Amerikaanse economie langzaam opkrabbelde en de crisis in Europa nog echt moest beginnen, had ik me er ook al over verbaasd. Er liepen amper bankiers, er was geen hectiek, de trappen van Wall Street waren helemaal leeg. Er liepen wel mannen in pakken rond in de straten in de buurt, maar dat was het.

Wie op Wall Street zoekt naar wolven, komt vooral schapen tegen.

Greed is good

De crisis was de afgelopen jaren een gewild subject voor filmmakers. Wall Street in het bijzonder is inspirerend voor producers. Oliver Stone’s Wall Street (1987) is een klassieker. We zien Gordon Gekko (een formidabele Michael Douglas) als roekeloze, hebzuchtige bankier. De jonge Bud Fox (gespeeld door Charlie Sheen) komt vers van het platteland, tegenwoordig flyover America, en wil macht, geld, hoeren, drugs. Op de achtergrond speelt een gewetensstrijd.

Douglas probeert een vliegtuigbouwer te kopen, een toonbeeld van fordistisch Amerika, met sterke vakbonden, noeste arbeiders en vaste banen – het bedrijf waar de vader (gespeeld door, jawel, Martin Sheen) van Bud als monteur werkt. Bud voorziet Douglas van informatie en helpt daarmee de aasgieraanval op het bedrijf. Tegen het einde van de film draait Bud bij. Hij ziet de schade die hij zijn vaders bedrijf en baan dreigt te doen. Moraal die de geëngageerde filmmaker Stone probeert mee te geven: we hoeven niet mee te gaan in de hebzucht van Wall Street.

Wat echter uit Wall Street is blijven hangen? Dat is Gekko’s citaat “greed is good”. Dat is hoe we Wall Street in eerste instantie gingen herinneren: niet als kritiek op Wall Street, maar als verheerlijking. De hebzucht en decadentie van het bankiersbestaan die de film presenteert waren bovendien, ongewild, een inspiratie voor een nieuwe generatie bankiers. Dat bleek uit een rondgang onder bankiers van de Financial Times een aantal jaren terug. Wall Street kwam symbool te staan voor het ongebreidelde kapitalisme van ongekende rijkdom – voor enkelen, dat wel – en sinds de crisis van 2007-2008 voor alles wat er mis was met de financiële sector. Precies zoals Stone het ooit bedoelde. Het tweede deal van de film mislukte niettemin.

Hoe willen we bankiers zien?

Heel verbazingwekkend was die flop wellicht niet, want de afgelopen jaren zijn er veel betere films uitgekomen over Wall Street. Uiteindelijk draaien ze, denk ik, om deze vraag: hoe willen wij als kijker, maar ook als burger die voor de banken moest betalen, bankiers gerepresenteerd zien in films?

In The Wolf of Wall Street (2014) maken we kennis met Jordan Belfort, gespeeld door Leonardo di Caprio. Hij stoomt snel op in de financiële wereld, van een klein kantoortje naar eigen bedrijfje in een oude loods naar een enorme firm midden op Wall Street. Belfort zuipt, snuift en neukt. Ergens aan het begin van de film heeft hij al door dat dit is hoe het moet. In een restaurant zegt hij: “How else am I supposed to do this job? Cocaine and hookers, my friend.”

In WoWS wordt de bankier gepresenteerd als zelfzuchtige eikel. We haten Belfort met veel plezier, want hij is de bankier zoals we die willen zien: als hebzuchtig roofdier die met zijn roekeloosheid ons, als burgers, in de problemen bracht.

Het is zoals we bankiers na 2007 graag zijn gaan zien. Als individueel verantwoordelijke klootzakken, die terwijl ze ons beroofden zichzelf enorme bonussen gaven. Het is verleidelijk om bankiers zo te representeren, maar het leert ons weinig over waarom het mis ging. In The Wolf of Wall Street is de bankier als hebzuchtig roofdier is het probleem, niet zozeer het systeem – dat blijft onbesproken. We haten bankiers, niet het systeem. We kijken liever naar wat uitwassen zouden zijn (met drank, drugs en sekswerkers), dan naar de financiële modellen die de crisis mogelijk maakten.

Mistaking beauty for truth

Nee, dan Margin Call (2011), met een uitmuntende Kevin Spacey. Het meest curieuze aan de film is de paradoxale traagheid. Alles speelt zich af in amper vierentwintig uur. Grote gebeurtenissen dienen zich aan, de bank dondert in elkaar. De film kabbelt echter rustig voort en wordt nooit te druk of te snel.

We zien een jonge, ambitieuze risk analyst hard doorwerken als zijn collega’s al in de kroeg zitten. Hij rekent alles nog eens na et voila: de volgende dag zal het bedrijf failliet gaan. Er volgen nachtelijke sessies met zijn bazen, en dan hun bazen, en dan hun bazen. Feilloos wordt uitgelegd waarom het bedrijf in de problemen is en wat er aan de hand is. Margin Call is descriptief: het laat zien dat het probleem van 2007-2008 (en nu, zou ik willen zeggen) niet zozeer zat in het decadente leven van bankiers, maar in de modellen. Die waren perfect rationeel, maar deugden niet. Mistaking beauty for truth, schreef econoom Paul Krugman er ooit over.

Dat ze niet deugden, blijkt ook in The Big Short (2015). Hierin ontdekken een paar outsiders dat de huizenmarkt op instorten staat, op een moment dat iedereen nog gelooft dat alles goed gaat. Ze gaan short op het falen van die markt. TBS historiseert de economische crisis. Het legt de paralellen met de crash van 1929 uit en laat op toegankelijke wijze zien waarom de huizenmarkt instortte. Sommigen werden daar enorm rijk van (en anderen werden uit hun huis gezet).

Ja, er zitten hebzuchtige bankiers in (zoals Jared Vennett, gespeeld door Ryan Gosling), en ja, uiteindelijk winnen de slimme kapitalisten. In de kern gaat The Big Short echter vooral over hoe de crisis kon gebeuren en hoe het systeem het probleem was. De bankiers deugen niet, maar het zijn vooral de modellen en de producten waarin zij geloven die het probleem zijn.

Ongeloof

Dat is uiteindelijk wat The Big Short en Margin Call delen: het grote ongeloof van bankiers en brokers als alles waarin ze geloofden niet meer werkt. Het ongeloof als de huizenmarkt (“it’s solid!”) instort. Het ongeloof als de markt fraudeleus blijkt. Het ongeloof als alle modellen die perfect rationeel waren, die klópten, in de problemen komen. Zelfs (of: juist) de outsiders die tegen de markt gokken, geloven in de heilzame werking van het kapitaal. Dat blijkt als de huizenmarkt in elkaar stort, maar de obligaties niet dalen (“it’s a fraudulent market!”, roept een van hen verbaasd uit).

Voorwaar: op Wall Street lopen meer schapen dan wolven. Het gaat om hegemonie, om onaantastbare ideeën waarin iedereen gelooft. Natuurlijk, laten de films zien, zijn de bankiers met hun rotsvaste geloof in de modellen die ons beroofden klootzakken, maar het grootste  probleem is uiteindelijk vooral het systeem zelf, niet de mensen die ze maken, lijken beide films te zeggen.

Aan het einde van The Big Short bijvoorbeeld, als de nasleep van de financiële crisis in een paar tekstberichten voorbijkomt. In 2015 zijn banken begonnen met de verkoop van bespoke tranche opportunities – newspeak voor collateralized debt obligations, de producten waarmee banken en het kapitalisme in 2007 faalden. Dat is hondenpoep ingepakt in kattenpoep, wordt ergens in de film gezegd: slechte hypotheken samengevoegd met slechte hypotheken in één product. Er is bovendien geen enkele bankier de bak in gegaan, op een lullige klerk van Credit Suisse na.

Waar is de verantwoording?

De grote vraag die The Big Short aan het einde dan ook impliciet stelt is: waar blijft de publieke verantwoording van bankiers én de structurele verandering van het systeem? Op dezelfde roep om verantwoording speelt Money Monster (2016) in. Een jonge, witte Amerikaanse arbeider gijzelt tijdens een uitzending Lee Gates (George Clooney), presentator van een populaire show over de financiële sector.

Waarom, roept Kyle Budwell (gespeeld door Jack O’Connell) uit, is niemand ter verantwoording geroepen? Waarom zitten de hoofdschuldigen van de crisis nog op dezelfde plek (of in Trump’s kabinet, straks)? Waarom is er niets veranderd aan de modellen? Waarom is er niets veranderd aan het systeem, dat de crisis mogelijk maakte? Kyle Budwell vertegenwoordigt onze collectieve woede en gijzelt uit onmacht een buikspreekpop van het grootkapitaal in z’n eigen tv-show.

Even lijkt The Big Short hoopvol te eindigen, als Vinnie, één van de brokers van FirstPoint, tegen zijn baas Mark Baum zegt dat alles zal veranderen, dat de schuldigen de bak ingaan, dat het systeem zal veranderen: “the party is over”. Welnee, zegt Baum. Er zal gebeuren wat na elke economische crisis gebeurde: “people will be blaming immigrants and the poor”.

De voorlopige culminatie daarvan, notabene een man die zelf miljoenen dollars verdiende door arme huiseigenaren te naaien, zal op 20 januari worden beëdigd tot president van de Verenigde Staten.