Als muziekliefhebber heb ik honderden concerten bezocht in mijn leven. Er waren grote concerten bij – in de Amsterdam ArenA bijvoorbeeld, en ook hele kleine huiskamerconcerten ergens in Nijmegen. Ik ben ervoor naar Groningen geweest, naar Den Haag en in kleine Limburgse dorpen. En ik deed dat meestal met vrienden en soms alleen. Met vrienden is meestal leuker, gedeeld plezier immers. Dus je zou zeggen dat een festival de logische volgende stap is. Maar ik hou helemaal niet van festivals.

Lekker de camping op met wat vrienden, chillen in het gras, biertje erbij en genieten van de zon. Oh ja, en je favoriete bands natuurlijk. Het lijkt een ideaal weekend voor iedere muziekliefhebber. Toch spraken de grote festivals me nooit echt aan. Lowlands en Pinkpop: ik ben er nooit geweest. Lach me maar uit. De 3voor12-stream volgen: prima. Maar ik voelde nooit de behoefte om erheen te gaan. Eén keer ging ik een dag op en neer naar Best Kept Secret. Ik zag er onder andere The Tallest Man On Earth, Franz Ferdinand en The War On Drugs. En nog meer. Verder pakte ik eens een dagje Motel Mozaïque mee en het Naked Song Festival in Eindhoven. En natuurlijk loop ik als Nijmegenaar rond op het Valkhoffestival. Maar dat was het dan ook, tot ik me dit jaar liet overhalen om af te reizen naar Down The Rabbit Hole. Vooruit.

Vooruit, zeg ik, maar die camping kregen ze me niet op. Het was ook een last minute beslissing om nog te gaan, en om nu ook nog een tent te regelen. Het leek mij beter om de spreekwoordelijke kat uit de boom te kijken en dus op en neer te gaan naar Ewijk/Beuningen of waar De Groene Heuvels zich ook mogen bevinden. Op de fiets, dacht ik op dag één, maar met veertien kilometer straffe wind en open veld op de route besloot ik op dag twee de OV-optie te nemen. Naar station Wijchen dus – en daar met een nogal onvoorspelbare pendelbus naar het terrein. Niet ideaal, maar uiteindelijk acceptabel – ik had minder pech dan andere mensen die op en neer reisden met deze bus.

Dag drie kon ik een lift krijgen van een vriend met een auto: we lachten allebei over het gemak waarmee we richting het konijnenhol reden: “volgend jaar kan dit iedere dag joh!” En toen werden we, op 200 meter van het terrein, rechtsaf gestuurd, terug de snelweg op en na een omleiding van zeker een kwartier – dat is een verdubbeling van de reistijd – bereiken we alsnog het parkeerterrein. Conclusie: je kunt beter blijven slapen op het terrein.

MAAR IS DAT WEL ZO? Want iedere ochtend hoorde ik horrorverhalen, ofwel van de afgelopen nacht, ofwel van eerdere festivals. Over loeiende generatoren, over lallende mensen, of gewoon over vieze Hollandse regen, die omdat het tentdoek net niet helemaal lekker strak staat, gewoon de tent inkomt. Maar verder is het genieten hoor, op zo’n festivalcamping. Lekker in de rij voor de douches of acrobatische toeren op een vieze wc-bril een grote boodschap verkondigen. Nee, toen ik ’s morgens wakker werd in mijn eigen bed, uitgeslapen en wel, kon ik er weer vol tegenaan. Vergelijk dat met de meewarige, verslagen mensen die op de zondag al vertrokken omdat ze er genoeg van hadden… Dat gaat toch tegen het motto “we verkopen geen dagkaarten dus everybody is in for the whole ride” in…

Dus natuurlijk mag je mij uitlachen, uitschelden voor luxepoes of ‘geen echte’, maar als ik dan zo’n meerdaags festival moet doen, dan doe ik het op mijn eigen manier. Want natuurlijk hou ik wel van gezelligheid, maar niet van halfdronken idioten. Ik kom zo’n terrein op en denk de eerste tien minuten: ik draai weer om… Natuurlijk hou ik van ’s avonds goede gesprekken voeren, maar niet in een doorweekte tent. Nee, deze jongen was er heel blij mee dat hij ’s avonds naar huis kon en ’s morgens weer fris op kon staan. Mijn festivalplezier wordt niet vergroot door een legging te kopen en aan te trekken omdat mijn andere kleren doorweekt zijn. Of door de derde dag heenworstelen omdat ik geen oog heb dichtgedaan.

Want daardoor heb ik dus in vrij optima forma gezien – in chronologische volgorde: Nick Mulvey (jeej), Bear’s Den, Bonobo (jeej), Sinkane (mijn ontdekking van het festival) Moderat (meh), Spinvis (jeej), Moss, Soulwax (had ik van kunnen genieten als ik niet helemaal achteraan naast een paar Wijchenaren had gestaan die over hun werk aan het kleppen waren – ik ga nu een experimenteel theaterstuk opzetten waarbij ik een headliner laat spelen en tegelijkertijd een groep mensen met luide stem er overheen laat kletsen), Fleet Foxes (niet echt een zaterdagavondband helaas), The Avalanches (haha), Spoon (duizend hartjes voor Spoon), Xavier Rudd (iets te veel clichés met zijn tuinbroek enzo, maar wel een gave didgeridoo), War Paint (matig geluid daar, net als bij veel andere acts trouwens) en Father John Misty (zo gaaf!). Het was vet, muzikaal was het mooi en het was gezellig. En als ik weg wilde, kon ik weg.

Ik heb dit weekend geleerd dat je festivals vooral op je eigen manier moet doen, want dat doet iedereen. En mijn manier is dus niet all-in de camping op met kutweer. Mijn manier is met enig comfort, een introvertveilige zone en vooral genieten van de muziek. Want dat heeft Down The Rabbit Hole dus wel gedaan: ik realiseerde me weer hoe tof ik bandjes, singer-songwriters en zelfs elektronische acts vind. En hoe weinig ik er eigenlijk ken.

Dus misschien doe ik in de toekomst nog wel eens een festivalweekend. En wellicht ook wel Down The Rabbit Hole. Maar dan doe ik het wel op mijn manier. En ik zeg niet dat die beter is, maar ik word er in ieder geval gelukkiger van. En ik geniet er niet minder om.

N.b. overigens heb ik dus op de organisatie van Down The Rabbit Hole niet veel aan te merken, behalve dat het festivalterrein dus duidelijk niet in Beuningen is én dat de pendelbus vanaf Nijmegen relaxter zou zijn geweest voor vrijwel iedereen, dat het geluid soms tegenviel en dat de omleidingsroute wel extreem was… Maar ja, verder dus wel props. 😉