Sinds kort maak ik deel uit van een sekte. Hier was ik in eerste instantie niet van op de hoogte. Ach, de onwetendheid van een beginner. Het had weinig gescheeld of ik had nooit deel uitgemaakt van die sekte, maar de inschrijving voor een (achtste) triathlon dwong mij ertoe. Ik leende en kocht materialen, bekeek wat voorjaarsklassiekers en besloot de sprong in het diepe te wagen. Vanaf nu was ik een wielrenner. Dacht ik. Want ach en wee, bij dat wielrennen horen regels waar de Nederlandse Grondwet bleekjes bij afsteekt.

Het wielrennen anno 2017 is wat aerobics was voor de jaren tachtig: ineens wil iedereen meedoen. Het heeft ongetwijfeld te maken met de aandacht voor succesnummers als Marianne Vos en Tom Dumoulin, de start van de Tour de France in Utrecht in 2015 en de start van de Giro d’Italia in Nijmegen in 2016. Fietsen is hot en je hoeft geen getrainde atleet te zijn om ermee te beginnen. En dat doen nu dus veel mensen: ze gaan op een wielrenfiets zitten en zien wel waar het schip strandt.

Hendelhorror

Een van die mensen ben ik. De allereerste keer, op een winderige dag, fietste ik met trillende handjes de Waalbrug over. Ik werd van links naar rechts gezwiept, snapte niets van het schakelen en besloot maar niet aan die hendeltjes te komen. Toch kwam ik 35 kilometer later dolgelukkig thuis. Wat was dit fijn! En leuk!

De daaropvolgende keren gingen steeds een beetje beter, hoewel mijn (mannelijke) fietspartners daar vast anders over dachten. Wanneer ik de longen uit mijn lijf trapte, fietsten zij kalmpjes verder terwijl ze met rechts uit een bidon dronken en met links een Rubiks kubus oplosten. Vastbesloten om iedere keer een beetje beter te worden, breidde ik mijn uitrusting uit: een fijne fietsbril, handschoentjes en een fietsbel om bejaarden te waarschuwen dat er een iets minder bejaarde aankomt.

Nu, twee maanden later, zit ik een stuk comfortabeler op de fiets. Ik snap wat ik doe als ik schakel, ik weet wat stayeren en een derailleur is, ik kan (een soort van) meekomen met andere wielrenners, ik ken de handgebaartjes en mijn bovenbenen laten voorzichtig zien dat ik, ja, zelfs ik, daar spieren heb. Hoera, hang de vlag uit, een nieuwe wielrenner is geboren!

Een gefrustreerde Wielercode

Mijn pas gekweekte zelfvertrouwen werd afgelopen zondag even lekker de grond ingeboord toen, na een tochtje van zestig kilometer over Gelderse dijken, de Wielercode van Het is koers werd verkondigd op het terras. Dat is een code die is opgesteld door gefrustreerde (en vooruit, ook wel grappige) mannen die al járen wielrennen en het bloedirritant vinden dat iedere broddelaar nu zomaar het fietspad mag bezetten op een zonnige dag.

De conclusie? Mijn bidon is te groot (een échte wielrenner heeft bidons waar maximaal een halve liter in kan), mijn fietspompje mag écht niet aan het frame, een zadeltasje (met binnenband en plaksetje) is voor losers en de zwarte sokken van de Decathlon moeten de prullenbak in. En dat is nog maar het begin. Volgens De Echte Wielrenners van Het is koers ben ik af. Heel erg af. Terug naar start.

Zondagsmiddags legde ik de Wielercode voor aan mijn broertje die je tot De Echte Wielrenners kunt rekenen. Ik hoopte te horen dat het onzin was. Dat de wielergemeenschap lieve beginners als ik met open armen ontvangt, ongeacht wat voor shirtje ik aanheb en wat de kleur van mijn stuurlint is. Ik rij immers niemand omver en vorm geen gevaar voor anderen, so what’s not to like? Hij glimlachte verontschuldigend: ik was nog steeds af. Kak.