Het internet heeft er de laatste maanden wat anders uitgezien dan normaal. Althans, als je regelmatig Amerikaanse websites bezoekt. Aan de andere kant van de oceaan wordt dit jaar misschien wel de belangrijkste strijd van deze generatie Amerikanen gevoerd. Ver weg van de slagvelden in het Midden-Oosten woedt op het Amerikaanse deel van het internet een kille oorlog. De vrijheid van het toekomstige internetverkeer staat op het spel. Slechts 0,6% van de Amerikanen lijkt zich erom te bekommeren.

Our Battle

“Our battle for the future of the Internet has begun,” zo luidt de duidelijke slogan op de website BattleForTheNet.com. Amerikanen verkozen Donald Trump, de man die het liefst nog de overheid zou opheffen zodat er helemaal nergens meer regels voor zouden bestaan, tot president. Nu lijken ze schouderophalend te reageren op het moment dat grote Amerikaanse bedrijven via de nationale politiek het internetverkeer voorgoed aan banden willen leggen.

De modale Amerikaan vindt de overheid van oudsher een noodzakelijk kwaad dat zoveel mogelijk ingedamd moet worden. Nu het echter op netneutraliteit – want daar hebben we het over – aankomt, geeft men niet thuis. Dat is niet alleen naïef en opmerkelijk, maar bovenal erg zorgwekkend.

Een vrij internet

In feite komt de strijd neer op het volgende: grote Amerikaanse bedrijven zoals AT&T en Time Warner menen dat zij lijden onder een vrij internet. Internetverkeer is internetverkeer, wat betekent dat je de ene internetdienst niet anders kunt behandelen dan de andere. Plat gezegd: als John Doe met zijn mobiele dataverbinding muziek streamt, krijgt hij geen hogere factuur dan wanneer hij alleen informatie opzoekt.

De commercie zou netneutraliteit het liefst beëindigen, hoofdzakelijk om populaire online diensten extra te kunnen exploiteren. Dat zou betekenen dat jouw internetprovider continu monitort wat de inhoud van jouw internetverkeer is.

Politiek en commercie

Het is belangrijk je te realiseren dat politiek en het bedrijfsleven in Amerika hand in hand gaan. Politici hebben geld – veel geld – nodig voor campagnes en leven van sponsoring door grote bedrijven. Het is een publiek geheim dat die bedrijven vervolgens een flinke vinger in de pap hebben bij het opstellen van politieke agenda’s. Dit is één van de belangrijkste redenen dat het wapenbezit in Amerika maar niet aan banden wordt gelegd. De National Rifle Association (NRA) investeert duizelingwekkende bedragen in politieke campagnes en verzekert zich er op die manier van dat het wapenbeleid ongewijzigd blijft.

Die sponsoring werkt twee kanten op. Wanneer ik als AT&T veel geld investeer in de campagne van Donald Trump en daarbij afspreek dat netneutraliteit zal worden ingeperkt – zodat ik geld kan gaan verdienen aan het belasten van specifieke internetdiensten – kan Donald Trump diezelfde inperking gebruiken om, bijvoorbeeld, online nieuwsmedia die kritisch op hem zijn het zwijgen op te laten leggen door AT&T. Maak de website wat langzamer dan alle andere en het publiek blijft wel weg. Dit worden fast lanes en slow lanes genoemd. Fast lanes voor de websites die we leuk vinden, en slow lanes voor iedereen die ons tegenwerkt. Dat wat Trump de fake news media noemt.

Naar het Congres

Tot 17 juli hadden Amerikaanse burgers de mogelijkheid om zich middels een comment uit te spreken tegen het voornemen om de netneutraliteit in te perken. Zo’n twee miljoen Amerikanen hebben dat gedaan. Dat betekent dat zo’n 322 miljoen Amerikanen niets van zich hebben laten horen. Met die wetenschap buigt het Congres zich binnenkort over het vraagstuk rondom de vrijheid van het Amerikaanse internet.

Slechts 0,6% van de bevolking maakt zich er zorgen om. Daarmee kan het antwoord op dat vraagstuk nog weleens een zeer pijnlijke domper worden.