Begin deze week stond in Trouw een mooi artikel over Maria Helena Adriana Schild-De Groen. Maria, of Rie voor intimi, was bijna 70 jaar hospita van een studentenhuis in Leiden. Aan de Rapenburg 110, ofwel ’t Heerenhoeckje, voedde ze door de jaren heen 120 studenten op tot volwassen mannen en eerzame burgers. Tot het laatste moment kwam ze iedere ochtend langs voor een kopje koffie en de afwas. Het schijnt een bijzondere vrouw te zijn geweest.

Ik dacht met weemoed, van het soort dat je kunt hebben als je maar lang genoeg uit een bepaalde situatie weg bent, terug aan mijn eigen studentenhuizentijd. Het is dit jaar precies tien jaar geleden dat ik met mijn studie begon. Tien jaar op eigen benen, tien jaar eigen baas.

Maar vanzelf ging het allemaal niet. Mijn allereerste hospiteeravond was een regelrechte ramp. Ik had op Kamernet een kamer in Wijchen gevonden voor €200 per maand. Bij geoefende (ex-)studenten gaan de alarmbellen bij zowel het bedrag als de locatie rinkelen, maar ik verwachtte een prachtige kamer op steenworpafstand van de universiteit en de dampende dansgelegenheden. Ik werd onthaald door Peter, een man van in de veertig met tomatensausvlekken in zijn witte T-shirt. Zijn woonkamer hing vol met Frans Bauer-posters en foto’s van een Terriër. Alle gordijnen zaten dicht en hij sloot de voordeur achter mij af – ‘voor de zekerheid’. Behalve ik en Peter was er niemand.

Trots vertelde Peter dat de ouders van Frank Boeijen vlakbij woonden. Terwijl ik de ruimte scande op mogelijke uitgangen praatte Peter vrolijk door: dat hij iedere avond samen wilde eten en dat hij het graag wilde weten als ik laat thuis zou komen of überhaupt niet thuis zou slapen. Ik kreeg nog een rondleiding door het hele huis, inclusief de gezamenlijke badkamer (‘hoe laat sta jij meestal op? Dan zorg ik dat ik dan gedoucht ben’), waarna hij mij weer naar station Wijchen bracht. Ik besloot ter plekke dat ik zeker honderd euro bij mijn kamerbudget op zou tellen. Liever een week droog brood dan iedere dag dineren met Peter. Ik wilde vrijheid, eten waar ik zin in had en thuiskomen als de zon opkwam.

Niet lang daarna had ik geluk en vond ik een fantastisch studentenhuis. Oké, het lag in Lent, maar de tuin grensde aan de Waal en iedere avond keek ik naar de verlichte toren van de St. Stevenskerk. Ik kon Nijmegen bijna aanraken. Het krakkemikkige pand rook 24/7 naar pizza en knakworsten, bij hoogwater vraten de ratten de keukenkastjes leeg en een tijd lang werd ik iedere ochtend bij zonsopgang gewekt door een terrorvogel die mijn raam probeerde in te tikken. Als je iets te hard met de deur sloeg zeilden de pannen van het dak, als het regende hadden we snel lekkage en de keuken stond áltijd vol met afwas, maar de huisfeesten waren legendarisch, we hadden een groot zwembad in de tuin en het zou iedereen aan hun reet roesten of ik gezond at en goed sliep.

Toch bleef Nijmegen lokken. Daarom verhuisde ik na een paar jaar naar een groot vrouwenhuis aan de St. Annastraat. Tegenwoordig staat het, als gevolg van een aantal succesvolle Vierdaagses, bekend als het militairenhuis en nee, dit licht ik niet verder toe. Hier waren de keukens schoon en de daken heel. Ik kon het Keizer Karelplein zien liggen en de cafés bijna ruiken. Het kon niet beter!

Nouja, het kon wel beter. Een eigen douche bijvoorbeeld. Of iets meer ruimte voor je spullen. Koken wanneer het jou uitkomt, in plaats van moeten wachten tot iemand anders klaar is in de keuken. Altijd genoeg wc-papier, omdat je zelf een voorraadje hebt aangelegd. Een wasmachine die altijd voor jou klaarstaat en niet de was van een ander bevat.

Het onvermijdelijke gebeurde: ik vertrok uit het studentenhuis en ging naar een grotemensenhuis. Maar niet zonder die weemoed, want: wat is het soms stil in je eigen grotemensenhuis. Een huisfeest geven doe je niet meer zo snel en bij een kapotte wasbak is er geen huisbaas die alle ellende voor je opknapt. Ach, zo hebben die millennials altijd wel wat te zeiken.